PORTRET VAN HARIE COX

Harie Cox

Dit keer een portret terug in het verre verleden. Onze eerste, reeds overleden, voorzitter Cox (van RKVVL zijde) aan het woord in toenmalige clubblad “De VVL-er”.

Een lange bestuurlijke periode die reikt van de oprichting in 1926 tot 1948, waarin hij tussentijds even plaats maakte voor andere voorzitters –Pie Schefman, Paul Erven, Jos Frederiks en J. Magnee om vervolgens de laatste twee jaren weer de voorzittershamer op te pakken . Tijdens de oorlog wordt er dan wel gevoetbald, maar de clubactiviteiten staan feitelijk op een laag pitje. De oorlog en bezetting betekenen dat voor verenigingsactiviteiten geen tijd, plaats en animo is. Nadelige gevolgen voor VVL heeft ook de fusie tussen de KNVB en de IVCB, wanneer VVL wordt ingedeeld in de 3e Klasse KNVB. In 1949 degradeert het 1e zelfs naar de 4e Klasse.

(een weergave in Oud Nederlandse citaten van de oud eerste-voorzitter)

De eerste voorzitter

Nu mij de gelegenheid wordt geboden een bijdrage te leveren aan dit nummer van De V.V.L.‘er, wil ik als medeoprichter van V.V.L., daar gaarne gebruik van maken. Zooals het wel bij elke vereeniging zal zijn, zijn ook de beginjaren van V.V.L. zeer moeilijk geweest. Maar dankzij de opofferingen van bestuur en leden, maar vooral den onmisbaren steun, die wij van de parochieele geestelijkheid mochten ondervinden, en niet te vergeten de supportersclub in de eerste jaren, onder de bezielende leiding van den heer Fr. Dassen z.g. gaven ons de kracht, de eenmaal opgenomen zeer moeilijke taak voort te zetten, nl. de leden te vormen tot echte, degelijke karaktervolle katholieke jonge menschen, vol idealisme. Dat idealisme, dat zij uitdragen, door middel van de sport. Daardoor ontstaat een hechte vriendschapsband. Het kweekt verdraagzaamheid en onderlinge clubliefde, die voor een vereeniging van jonge menschen onmisbaar zijn. Ook ontstaat hierdoor de bereidheid tot dienen, waar en wanneer dit ook van hen gevraagd wordt. Met deze geest bezield heeft RKVVL in de eerste jaren van haar bestaan zeer veel vruchtbaar werk verricht. Zij heeft, door steeds op den voorgrond te treden met de andere katholieke Vereenigingen in de stad een machtige propaganda gemaakt voor de Katholieke sportbeweging in Maastricht. Zij nam als vereeniging een voorname plaats in zoowel bij de RKLVB als bij IVCB, waardoor haar naam een goede weerklank vond, en waardoor zij als een der eerste vereenigingen in den lande stond aangeschreven.

(Harie Cox, geciteerd in een terugblik op de beginperiode)

Degradatie en andere tegenslagen

In de volgende jaren kwam de terugslag. Langzaam ging het bergaf, totdat degradatie niet te voorkomen was. VVL zakte af naar de tweede Klasse. Kort daarop brak de oorlog uit, en bij fusie van de N.V.B. en de R.K.F. werd onze vereeniging zonder meer in de 3e klasse ingedeeld. Maar zooals het gewoonlijk gaat kreeg ook VVL haar tegenslagen te verwerken. Want na een periode van bloei, waardoor zij zich van de eerste klasse van den R.K.L.V.B. binnen 4 jaren kon opwerken tot de eerste klasse R.K.F.- zelfs werd zij kampioen van de afdeling Zuid- werd zij van die plaatsen verdrongen, en thans spelen onze jongens in de derde Klasse K.N.V.B. Als wij daar nog bijvoegen, de geweldige klappen, die wij tijdens de Duitsche bezetting, hebben gekregen, toen bijna ons geheele eerste elftal naar Duitschland werd afgevoerd of moest onderduiken, dan was de maat hierdoor meer dan vol. Al deze tegenslagen zijn echter niet bij machte geweest het enthousiasme en het idealisme te breken. Integendeel, men heeft doorgezet, en deze tijd benut om V.V.L. te reorganiseeren. En uit te bouwen tot een der grootste sportvereenigingen van Maastricht, waar in verschillende takken van sport beoefend worden, en naast de voetbalafdeeling een bloeiende korfbalafdeeling bezit, een damesgymnastiek-, een jeugdgymnastiek-, maar vooral een jeugdvoetbalafdeeling, die haar vooroorlogs peil zeer spoedig bereikt en waarschijnlijk nog overschreden zal hebben. Dit alles is verkregen door een prettige en innige samenwerking van de besturen der afdeelingen, haar leiders en geestelijke adviseurs, maar vooral door de leden, die in deze moeilijke jaren bleven volhouden en doorvechten voor hun vereeniging. Wanneer deze samenwerking bestendigd blijft, en wij kunnen blijven rekenen op elk lid individueel, zal nog veel voor de vereeniging, maar vooral voor de leden zelf gedaan kunnen worden. Waarbij wij de hoop uitspreken, dat deze “geest” ons moge brengen: de promotie naar een hogere klasse.

(Harie Cox, 1926-1948, geciteerd na de oorlog)